De eend en de reiziger

Op een doodgewone dag viel er zomaar een eend uit de lucht, midden in de armen van een verbaasde reiziger. Een gure wind galoppeerde over de verlaten vlakte, een boom klauwde eenzaam naar de wolken. Hoog in de lucht klonk het smadelijke gegakker van een vlucht ganzen. Beschermend legde de man zijn handen om het uitgeputte lijfje, maar de eend stribbelde tegen en verdraaide zijn nek om de ganzen na te kijken. Koppig klapte het met zijn wieken.

“Stil maar eend,” bromde de reiziger, “wat moet jij met die ganzen? En hij stopte de eend onder zijn jas, waar het droog en warm was. De eend kwaakte dat hij geen tijd had: “Ik moet naar Siberië.” De reiziger lachte. “Siberië?” vroeg hij. Maar de eend sliep al.

De volgende ochtend werd de eend wakker in een nestje van droge bladeren. De reiziger zat naast hem tegen een boom. “Zo eend, ben je eindelijk wakker?”,  zei hij. De eend liet zijn kop hangen. “Had me toch wakker gemaakt, nu haal ik ze nooit meer in.” “Des te beter, eend,” vond de reiziger. “Siberië, dat is niks gedaan. Kijk om je heen! Het geluk is overal!”   

De eend keek om zich heen. De wind was gaan liggen, de lucht was helder. Rijpkristallen glinsterden in het vroege zonlicht. Het riet fluisterde iets tegen het water van een vennetje. Laag aan de hemel hing nog de stille maan. Zijn zilveren schijnsel glimlachte de twee verloren zielen toe. De eend zuchtte diep, en knikte.

De reiziger vroeg de eend waarom hij zo nodig met de ganzen mee moest. De ogen van de eend gingen glanzen, en hij vertelde hoe groot en sterk de ganzen wel niet waren, en hoe avontuurlijk hun leven. "En dat wil ik ook,” zei hij ten slotte. Nu was het de reiziger die knikte.

De zon klom hoger boven de horizon, de maan verdween uit zicht. Ten slotte vroeg de eend waar de reiziger zelf naartoe op weg was. De reiziger keek in de verte, en zei dat hij naar huis ging.

Maandag 10 Oktober 2011 | | Twee reacties

Wat P. mij gisteren op straat vertelde II

"Ik lees nu een boek over de wereldwijde samenzwering. De CIA en de leiders van VS, maar ook van Nederland, zijn lid van de Rozenkruisers. Ze willen de wereld verenigen tot één land. Amerika hebben ze al verenigd, Europa ook, straks volgt Afrika en daarna de rest van de wereld. Ze hebben overal bunkers gebouwd, en als in september die komeet langskomt, gaan ze daar snel in zitten.

Werk je nog steeds bij de politiek? En hebben ze je daar niets over verteld?"

Vrijdag 08 Juli 2011 | | Eén reactie

Wat P. mij gisteren op straat vertelde I

"In september wil ik naar Ecuador, of naar de Himalaya. Dan ga ik in een grot zitten. Tussen 23 september en 26 november komt er namelijk een komeet langs de aarde. Hij vliegt precies tussen de aarde en de zon door, terwijl Mercurius op dat moment recht achter de zon staat. De komeet gaat daardoor zo hard aan de aarde trekken, dat de magnetische polen van de aarde worden verwisseld. Daarna komt de zon voortaan in het westen op en loopt heel Nederland onder water."


er is een wereldwijde samenzwering.
de cia en de leiders van vs en nl etc zijn lid van de rozenkruisers en ze
willen de wereld verenigen tot 'e'en land. de vs hebben ze al
verenigd, de
eu ook, straks volgt afrika en daarna de rest van de wereld.

van 26 sept tot 26 november komt er een komeet langs de aarde. ik ga dan
naar de himalaya om in een grot te zitten, want de magnetische polen
worden dan verwisseld; de zon komt voortaan in het westen op en heel
nederland zal onder water lopen. de rozenkruiserleiders hebben overal
bunkers gebouwd en daar gaan ze dan snel in zitten, als die komeet langs
komt.

werk je nog steeds bij de politiek? en hebben ze je daar niets over
verteld?

Vrijdag 08 Juli 2011 | | Geen reacties

Inspiratie

‘Misschien moet je voor inspiratie maar eens naar Miroc gaan’, zei de buurman. ‘Daar woont Marko Kraljevic, dat is een hele sterke man, met een baard. Alle vrouwen zijn verliefd op hem’. Tenminste, dat was wat ik begreep van wat hij zei. Hij zat vlierbessensap te drinken met een cameraman en een presentator, die net een reportage hadden gemaakt over het natuurpark hier. Ze lachten smakelijk om zijn suggestie. Ik keek om me heen waar de buurvrouw was gebleven, maar die was ver weg. Voordat het over die Marko ging, had de buurman gevraagd of het waar was dat er in Amsterdam een groot park was waar de mensen de liefde bedreven.

Ik hakkelde stijfjes in mijn indianen-Servisch dat ik die Marko niet kende, en dat ik niet inzag waarom hij inspirerend zou moeten zijn, als ie alleen maar sterk was. Wilde een ontmoeting inspirerend zijn, dan moest er toch sprake zijn van meer contact. ‘Contact?’ vroeg de buurman. ‘Jij zit de hele dag alleen in je tuin, tussen de tomaten en de paprika’s, heb je daar dan zo goed contact mee?’.

Ik vroeg nog maar eens wat er nou zo bijzonder was aan die Marko Kraljevic. Tja, hoe leggen we dat nou uit, peinsden de drie mannen. ‘Hij is een mythe!’, zei de presentator. En ze benadrukten nog eens hoe sterk hij was. Ik vroeg hoe het kwam dat hij zo bekend was, was hij soms vaak op de televisie? Nee, nee, hij was niet op televisie. ‘Incidenten!’, zei de cameraman. De buurman liet in gebaren zien wat Marko wel niet allemaal kon: hij had iets waarmee hij gooide, en als je dat tegen je aan kreeg, nou, dan was je dood. Tenminste, zo zag het er uit. ‘En Turken!’, zei de presentator, ‘hoeveel Turken hij wel niet over de kling heeft gejaagd!’.

Dat waren me nogal incidenten, dacht ik verontrust, en ik vroeg ze waarom hij niet in de gevangenis zat. ‘Oh, maar hij leefde eeuwen geleden, in de vijftiende eeuw of nog langer terug’.

[With his comically stylized appearance and behavior, and his wry remarks at opponents' expense, Marko is regarded as the most humorous character in the Serbian epic poetry. When a Moor smote him with a mace, the hero spoke to the attacker laughingly, "O valiant black Moor! Are you jesting or smiting in earnest?"- Wikipedia]

Woensdag 15 Juni 2011 | | Geen reacties

De hond

Langs de weg naar het dorp lag een hond. Het was nog vroeg, net na half tien, maar het was al zo heet dat je geen stap kon verzetten of het zweet brak je uit. De hond had het zich gemakkelijk gemaakt: hij lag half op zijn rug, zijn rechterachterpoot lui opzij hangend, zodat je zijn buik zag. Hij keek alsof hij het warm had. Ik verbaasde me erover dat hij niet overeind kwam, want de honden hier lopen altijd met je mee. Soms blaffen ze, soms niet. Als er een auto voorbij komt, zetten ze het op een rennen, en volgen ze de wielen alsof ze zich in een roedel wolven wanen die op het punt staat om een vluchtend hert neer te halen. Maar deze hond hield het voor gezien, hij bleef kalmpjes liggen en keek suf voor zich uit. Het was ook wel een heel warme dag.

Drie dagen later fietste ik weer naar het dorp. Het had die nacht geregend en het was veel koeler. De hond lag er alweer, in dezelfde houding, maar nu keek hij niet meer alsof hij het warm had. Zijn vacht zag grauw en zijn kop leek overgroeid met spinnenwebben. Om de hond heen rook het precies zo als toen ik dacht dat er een dode muis in mijn matras zat (maar later bleek dat de muis achter mijn boekenkast lag). Ik fietste verder, maar ik bleef zijn kop voor me zien. Mijn middenrif trok, alsof ik koorts had. Het trekken leek op dat van verliefdheidsvlinders, maar dan andersom. Achter me hoorde ik een auto naderen. Ik keek nerveus om en stuurde dichter naar de berm dan ik nodig had gevonden voordat ik de hond had gezien. De auto ging ruim om me heen, maar ik bleef uiterst rechts rijden. Het was een grijze dag, een dag voor noodlottige gebeurtenissen en verschrikkelijke krantenberichten. Er kon nog een auto komen.

De weg maakte een bocht naar rechts, langs een rotswand, en toen ik de bocht om was, zag ik verderop aan de overkant een vrouw lopen, ongeveer van mijn leeftijd. Ze liep mijn kant op en ze had een teckel bij zich. De teckel huppelde midden over de weg, met op en neer flapperende oortjes. Ik vond het raar dat ze hem zo los liet lopen, en ik bleef strak naar het hondje kijken terwijl ik afremde. Pas vlak voor ik hem en de vrouw zou passeren, bedacht ik dat het misschien haar hond niet was. De kale plekken in zijn vacht gaven me gelijk.

Ik bedacht dat ik de vrouw niet had gegroet, wat me speet. Er wonen hier weinig mensen, dus groeten is belangrijk. Omkijken deed ze niet, en ik dacht verder na over de teckel. Ik stelde vast dat ik nog nooit eerder een zwerfteckel had gezien. Het is een uitgesproken ras, daar zijn baasjes doorgaans voorzichtig mee. Ik stelde me voor dat de teckel straks langs de andere hond zou lopen. Ik vroeg me af of hij zou zien dat dat een hond was, net als hijzelf, en of hij zou begrijpen dat die hond dood was. En of hij dan ook iets in zijn middenrif zou voelen.

Vrijdag 10 Juni 2011 | | Geen reacties

Loslaten voor beginners

Het was een uitzonderlijk warme tweede paasdag geweest, als een augustusdag. Te mooi weer om binnen te eten. Ik woon op tweehoog, dus ik pakte een krukje en een boek, en nam mijn bord eten mee naar beneden. In het zachte gloeien van de ondergaande zon at ik op het stoepje voor de deur groene asperges. Af en toe keek ik op, als er mensen voorbij liepen. Een parkeerwachter, twee bloemenverkopers (“Hey lady, are you a lonely woman?”), een man die onvast op zijn benen stond maar zich toch over de stoep wist voort te bewegen, onderwijl boos voor zich uit mompelend (“Kanker! Kanker!”).

lees verder

Woensdag 04 Mei 2011 | | Geen reacties

Vervelend kwaaltje

“Ja, dat net hangt daar tegen de duiven. Op een dag kregen ze door dat er voer lag. Eén grote wolk van die vieze stadsduiven om de voederbak heen. En de kippen allemaal op een kluitje achterin de tuin, doodsbang. Een paar van die duiven kreeg ik te pakken, en die heb ik de nek omgedraaid. Nu komen ze niet meer. Maar sindsdien heb ik dus brandmijt. Rotbeesten. Overdag zie je ze niet, maar ’s nachts kruipen ze tevoorschijn en zuigen ze bloed.”

“?”

“Nee, bij de kippen natuurlijk.”

Woensdag 22 December 2010 | | Geen reacties
Gebruikte Tags: ,

De slaapdienst

Nadat ik vannacht al een paar uur wakker had gelegen, stond ik op en zocht op het prikbord het nummer van de slaapdienst. Het stond op een van de briefjes gekrabbeld. Ik pakte mijn vaste telefoon, gooide met het veel te lange snoer dat altijd in de knoop zit nét niet mijn modem uit de kast, en belde het nummer. Ze hadden het druk, zeiden ze, maar er zou binnen een half uur iemand komen.

Ik wachten.

Ik had geluk, na vijf minuten was het mannetje er al. Hij had een grote koffer mee, die hij voortvarend op de grond neerlegde en openklapte. Er zaten grote bordkartonnen puzzelstukken in met fragmenten van afbeeldingen erop.

Je moet je nooit te opzichtig bemoeien met het werk van mannetjes die langskomen om je te helpen, maar ik wilde wel weten wat er op die afbeeldingen te zien was. Ik keek dus beleefd met een oog het mannetje aan, terwijl ik met het andere in de koffer tuurde. Het leken stukken van portretten van mijzelf te zijn, maar het zat allemaal doorelkaar.

Het mannetje haalde het bovenste puzzelstuk uit de koffer, en las een vraag voor van het labeltje dat eraan vast zat. Ik keek hem niet-begrijpend aan. Hij verontschuldigde zich, kennelijk dacht hij dat ik zijn vraag onbeschoft vond.

De methode van de slaapdienst bestond daaruit, begon hij uit te leggen, dat men de wakkerligger moest interviewen, om hem of haar zo te helpen de gedachten in de goede vorm te draperen. Bij wakkerliggers zijn de gedachten namelijk meestal in de war en dat leidt tot storingen. Als je niet oppast valt de hele binnenkamer omver en dan is de dienst de hele nacht bezig om alles weer op te ruimen. Vaak lukt dat niet eens, dan zijn ze nog niet klaar als de wekker gaat, en dan wordt het dagwerk.

Aan de grauwe teint van zijn gezicht te zien was hij vaak de klos met dat overwerk.

Het mannetje stelde zijn vraag nog eens. Het ging over wat ik wilde, in de toekomst enzo. Ik begon aan een antwoord, maar zo makkelijk was dat niet. Dus ik ging eerst eens nadenken over wat ik ook alweer wil. Ik stak mijn hoofd onder mijn kussen om me beter te kunnen concentreren.

Ik kwam er nog niet helemaal uit, maar toen ik de eerste helft van mijn antwoord wilde gaan vertellen, bleek het mannetje zelf in slaap gevallen te zijn.

Ik liet het maar zo, want ik was zelf inmiddels ook best moe geworden. Ik trok mijn dekbed weer over mijn hoofd. Ik droomde dat ik een grote kam had waarmee ik mijn gedachten uit de klit haalde. Toen ik later nog eens ging kijken, zag ik het mannetje niet meer. De koffer was ook weg.

Zondag 22 November 2009 | | Eén reactie