De ziel toogde

De ziel toogde lange tijd, maar laatst sliep ze weer in een groot mooi huis, in een lege kamer, zo op de houten planken. Vroeg in de ochtend werd ze wakker en stond op om uit het raam te kijken. Buiten liep een groep kariboes stil door de sneeuw over de bevroren rivier. Eentje liep vlak langs het raam. Ze maakte geluid, de kariboe schrok en keerde om. En toen waren er prachtige witte tijgers en die gingen achter de kariboes aan, en één tijger sprong en klauwde en beet. De kariboe wankelde.

gans Maandag 26 Oktober 2009 at 11:43 pm | | Default | Geen reacties

Over de brug (1)

De brug kwam steeds dichterbij. Het leek alsof iemand er op inzoomde met mijn ogen als camera. De Kerkstraat lag al grotendeels achter me, rammelend over de hobbels en deuken in het wegdek was ik daar doorheen gefietst. Nu kwam de kruising met de donkere kant van de Amstel, waar het zo onduidelijk is of je voorrang moet geven en waar je alvast de paaltjes moet uitkiezen om tussendoor te rijden, de brug op. De brug lonkte naar me met haar witte houten ophaalconstructie die fel oplichtte in de zon. Zoals altijd wilde ze dat ik mijn hoofd zou verliezen en zonder links of rechts te kijken naar haar toe zou stormen om me in haar armen te storten, om te zwelgen in de weidsheid van de rivier, de geur van het water, de vrije lucht, zachtjes kermend van genoegen na de tocht door die beklemmende Kerkstraat met zijn strakke huizenrijen als reusachtige oogkleppen, die je hoofd in een richting dwingen, vastklemmen in hun koudvochtige stenen greep.

 

Er kwam niets aan, het kruispunt was vrij. Alleen een voetganger liep over de weg, weg van het kruispunt, richting de Keizersgracht. Ik liet mijn fiets de weg over rollen, tussen de paaltjes door, en trapte daarna loom en zwaar mijn trappers weer naar beneden. Ik ben een ongeduldige fietser, maar op de brug raak ik altijd al mijn haast kwijt. Op de brug word ik een zwemmer, een hangglider, een zeepbel. Op de brug tikt de tijd niet, als een zonwarme golf in een koude veenplas ligt zij bewegingloos uitgestrekt. Laat zich door de benen van passanten licht opwarrelen, kust hun bleke huid. Hervindt zich dan weer in de warmte van haar halfslaap.

 

Mijn gedachten spoelden weg, mijn fiets kwam tot stilstand. Net voor ik om zou vallen pakte ik de leuning van de brug beet en staarde zuidwaarts, naar de sluizen, naar Carré en het Amstelhotel en naar het knipperlichtje van de Rembrandttoren in de verte. Het was woensdagmiddag. Oktober alweer. De stad was vreemd stil. De lucht was ijl en tintelend, het leek alsof de dag pas net was begonnen.

gans Woensdag 14 Oktober 2009 at 6:28 pm | | Default | Eén reactie